header

Log in | Aanmelden

Vereniging van eigenaren-bewoners
van monumenten

Bouwkundige termen

Auteur: Ir D.J. de Vilder

In monumentenland lees en hoor je allerlei termen waarvan je denkt wel te weten wat ze ongeveer betekenen. Maar wat bedoelen ze nou echt? Staat het erg dom om te vragen wat bijvoorbeeld een voluut is, of zijn er meer die daarover twijfelen.

Om aan alle twijfel een einde te maken, kun je natuurlijk het “woordenboek der Westerse Architectuurgeschiedenis” van Dr. Haslinghuis raadplegen, maar dat is weer typische vakliteratuur. Voor gewone mensen volgt hieronder een beknopt overzicht van woorden die we zoal tegenkomen.

A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V Z

A

  • Afgewolfd dak: dak waarvan het voorste gedeelte is afgeschuind boven een afgeknotte puntgevel.
  • Allegorisch: symbolische of zinnebeeldige uitbeelding van een idee of een abstract begrip door middel van een concreet persoon of verhaal.
  • Art Nouveau Decoratiestijl: opgekomen tegen het einde van de 19 de eeuw als reactie op de neostijlen. Het ornament bestaat uit grillige, slingerende lijnen waarbij vaak plantaardige motieven worden toegepast. Andere benamingen: Jugendstil, Nieuwe Kunst, spottend: Vermicellistijl. De Art Nouveau wil geheel oorspronkelijk zijn; vandaar de veelal ongebruikelijke gevormde deur- en vensteromlijstingen.
  • Arcadenrij: Rij bogen op pijlers of zuilen.
  • Architraaf 1: de hoofdbalk, het onderste, dragende deel van een hoofdgestel in de klassieke Griekse en Romeinse bouwkunst (het hoofdgestel bestaat van onderen uit architraaf, fries en kroonlijst).
  • Architraaf 2: timmersmansterm voor de omlijsting van een deur- of raamkozijn.
  • Attiek: Verhoging boven de kroonlijst van een gebouw.

B

  • Barok: stijlperiode in de 17 de en 18 de eeuw, volgend op de renaissance, gekenmerkt door plastische, aan de beeldhouwkunst ontleende behandeling van het gebouw.
  • Berlagiaans: sterk beïnvloed door de stijl van bouwmeester H.P. Berlage (1856-1934) kenmerkend is het gebruik van baksteen metselverband als ornamentering.
  • Biedermeier: ‘burgerlijke’ vorm van het Empire in ons land in zwang, vooral in de meubelstijlen, tussen 1820 en 1850.
  • Boeibord: elk der opstaande kanten van een houten dakgoot, aan de muurplaat bevestigd, het buitenboeibord heeft vaak een naar voren hellende stand.
  • Boezem: bovenste gedeelte van een schoorsteenmantel.
  • Boogfries: rij boogjes onder een architraaf of een lijst.
  • Bovenlicht: raam boven de voordeur, veelal versierd met snijwerk of gietijzeren ornament.

C

  • Cartouche: met rijk kwab- en krulornament versierde gevelsteen in renaissance gevels, veelal voorzien van een opschrift of datering.
  • Classicisme: vormgeving gebaseerd op de bouwkunst van de griekse en romeinse oudheid, in Nederland zien we dit in de late renaissance (17 de eeuw) na ca. 1750 spreken we over neoclassisisme.
  • Classicistische barok: Vooral in Frankrijk, Engeland en Nederland eind 17 de eeuw voorkomende strenge vorm van de barokstijl, vaak gekenmerkt door pilasters van de “kolossale orde”, d.w.z. pilasters die over de totale hoogte van de gevel doorlopen en een hoofdgestel met fronton dragen (vgl. de gevel van het Mauritshuis te Den Haag).
  • Composiete orde: Kapiteelvorm die een vermenging is van de Ionische en Corinthische orde.
  • Cordonlijst: lijst die in een gevel is aangebracht tussen de verdiepingen.
  • Corinthische orde: rijkste vorm van het kapiteel in de klassieke bouwkunst, voorkomend in de late Griekse architectuur en vooral in de Romeinse bouwkunst.

D

  • Dagmaat: de maat van de vrije opening (doorgang) in een deur of raamkozijn.
  • Dagkant: de zijden, haaks of afgeschuind, van de opening in een wand, kozijn, poort of boog.
  • Dam: penant, een smal stuk muur tussen twee openingen, vensters of deuren, waar de damspiegel en de damtafel geplaatst werden.
  • Dessus-de-porte: een met beeldhouwwerk, stuc of een schildering versierd, met lofwerk omlijst paneel boven een deur in het interieur.
  • Deurkalf: tussendorpel in een kozijn boven een deur en onder het bovenlicht in datzelfde kozijn.
  • Diefijzers: traliewerk, meestal voor vensters van de kelder of het souterrain.
  • Dook: ijzeren of koperen kram of bout waarmee stukken gehouwen steen onderling verbonden worden en die met lood wordt aangegoten in de daarvoor gemaakte groeven of gaten.

E

  • Eclectisch: afkomstig van het Griekse werkwoord ‘eklegein’ dat uitkiezen betekent. In het bijzonder gebruikt als benaming voor de bouwwijze in het derde kwart van de 19 de eeuw, toen als reactie op de neogotiek motieven uit verscheidene bouwstijlen (romaans, renaissance, barok, empire) aan één gebouw werden toegepast. In Den Haag ziet men deze stijl, het eclecticisme, vooral aan de huizen rond het Plein 1813 en omgeving.
  • Eierlijst: versiering in de vorm van een reeks half-eivormige motieven, meestal onder een kroonlijst.
  • Empire: Uit het Lodewijk XVI voortgekomen vorm van het neoclassicisme, sterk geïnspireerd op de Romeinse bouwkunst. Bij uitstek de stijl van het Eerste Franse Keizerrijk (Napoleon).

F

  • Festoen: gebeeldhouwde versiering in de vorm van bloemen- en vruchten-trossen, veelal boven vensters, onder de kapitelen van pilasters of in frontons. Motief dat vooral in de barok en in de classicistische barok wordt toegepast (vgl. Mauritshuis).
  • Fries: Onderdeel van een hoofdgestel: horizontale band tussen architraaf en kroonlijst.
  • Frijnen: bewerken van het oppervlak van gehouwen steen met platte beitels of frijnhamers in de frijnslag: een regelmatig patroon van groefjes waardoor het oppervlak verlevendigd wordt.
  • Fronton: meestal driehoekige, soms gebogen bekroning van een gevel boven de kroonlijst. Soms ook boven vensters en deuren. Uit de klassieke bouwkunst afkomstig motief, toegepast in de renaissance, de barok en het neoclassicisme.

G

  • Gebosseerd: bekleding van het metselwerk met aan de voorzijde ruw gehouwen blokken natuursteen om een fors, weerbaar of elitair karakter te suggereren. Motief uit de klassieke bouwkunst, toegepast in de renaissance, de barok en diverse neostijlen. In deze laatste gevallen wordt het bossagewerk vaak in pleisterwerk nagebootst.
  • Gebroken gevel: puntgevel waarvan de contour een knik vertoont.
  • Gecanneleerd: versierd met verticaal lopende groeven in de schacht van een zuil of pilaster.
  • Getoogd: gebogen, gebruikt bij vensters, deuren en nissen.
  • Guirlande: zie festoen.

H

  • Hallekerk: kerk waarvan de beuken (middenschip en zijbeuken) gelijke hoogten hebben.
  • Herme: versierend element in de renaissance en de barok, waarvan het onderste gedeelte een pilaster is, terwijl het bovenste gedeelte een mannen- of vrouwenfiguur voorstelt.
  • Hoekliseen: zie liseen.
  • Hoofdgestel: horizontaal lijstwerk, meestal ter beëindiging van een gevel, bestaande uit architraaf, fries en kroonlijst.

I

  • Impost: blokvormig element tussen het kapiteel en de daarop rustende boog.
  • Ingangstravee: verticaal gedeelte van de gevel, waarin zich boven elkaar de toegangsdeur en telkens één verdiepingsvenster bevinden.
  • Ionische orde: kapiteelvorm met twee voluten (krulvormige motieven).

J

  • Juk: samenstel van dragende kapbalken bij een dakconstructie.

K

  • Kapiteel: kopstuk van een zuil, technisch dienend om het gewicht van de bovenliggende constructies in het hart van de zuil te concentreren. Esthetisch lijkt het kapiteel de last juist veerkrachtig op te beuren. Het kapiteel is bij uitstek geschikt om ornamenteel te behandelen.
  • Keulse goot (1): goot die niet buiten de muur uitsteekt maar met opstaand boeibord op de muurplaat ligt, lekkage komt vaak pas aan het licht als het te laat is.
  • Keulse goot (2): goot die het regenwater binnendoor, over de zolderbalken van de ene buitenmuur naar de ander voert.
  • Kolonnet: dunne dragende zuil tegen pijlers of muren bij romaanse en gotische kerken.
  • Kolossale orde: pilasters die tegen de volle hoogte van de gevel of althans langs verscheidene verdiepingen omhoog gaan. Kenmerkend voor de classicistische barok en neoclassicisme (vgl. Mauritshuis).
  • Koofplafond: plafond met gebogen vlakken tegen de wanden.
  • Kroonlijst: bovenste, naar voren springende lijst van het hoofdgestel .

L

  • Latei: natuurstenen langgerekt blok, houten of ijzeren balk boven een deur of venster, dat het bovenliggende metselwerk draagt.
  • Levensboom: gietijzeren of houten versiering in de vorm van een boom, geplaatst in het bovenlicht van een deur.
  • Liseen: decoratieve pilastervormige muurdam tussen de vensters.

M

  • Mansardedak: dakvorm waarvan het onderste deel van de kap steiler omhoog gaat dan het bovenste, waardoor een geknikte vorm ontstaat. De naam is afgeleid van de 17 de eeuwse Franse architect Mansard.
  • Maskerkraagsteen: console, versierd met een gebeeldhouwde of gesneden kop.
  • Metoop: vak tussen de trigliefen in het fries van een klassiek hoofdgestel.
  • Metselverband: patroon waarin stenen in het muurwerk worden gezet. Een hecht verband wordt bereikt door de verticale voegen in de lagen boven elkaar steeds te laten verspringen. zie figuur voor de benamingen in het metselwerk.
  • Middenrisaliet: vooruitspringende middenpartij van een gevel.
  • Muurplaat: houten balk die plat bovenop een gemetselde muur ligt en daarin met ingemetselde muurplaatankers is vastgezet. Hieraan wordt het dak en de goten bevestigd.

N

  • Neobarok: in het laatste kwart van de 19 de eeuw in ons land voorkomende stijl die een navolging is van de 17 de eeuwse barokstijl. De neobarok in Nederland is internationaal georiënteerd en vertoont zowel Italiaanse als Franse en Duitse trekken.
  • Neoclassicisme: tegen het eind van de 18 de eeuw opgekomen stijl die sterk geïnspireerd is op de klassieke Romense en Griekse vormen. De opgravingen in Pompeï en Herculaneum hadden grote invloed op het ontstaan van het neoclassicisme.
  • Neogotiek: in ons land vooral gedurende de tweede helft van de 19 de eeuw door de Rooms Katholieken voor hun kerken toegepaste stijl, geïnspireerd door de gotiek in de 13 de – 16 de eeuw. De grote promotor van de neogotiek in Nederland was Pierre J.H. Cuypers (onder andere Rijksmuseum, Centraal Station Amsterdam en kasteel Haarzuylen).
  • Neo-Lodewijk XIV: interieurstijl in het derde en vierde kwart van de 19 de eeuw, die een navolging is van het Franse Louis XIV uit het eind van de 17 de en het eerste kwart van de 18 de eeuw. Lodewijk XIV vormen maken ook een belangrijk onderdeel uit van het eclecticisme.
  • Neorenaissance: neostijl die de protestantse kerkelijke bouwkunst en de profane architectuur domineerde in het laatste kwart van de 19 de eeuw. Geïnspireerd op de internationale renaissance van de 16 de en 17 de eeuw en in enkele gevallen op de Vlaamse en Noord Nederlandse renaissance. De renaissance was de stijl die, volgend op de gotiek, zich inspireerde op de klassieke vormen in de Griekse en Romeinse bouwkunst.
  • Neut: blokje van steen of hout, waarop een deur- of raamkozijn rust. De stenen neut dient om verrotting van het kozijnhout door intrekkend vocht van regen- of schrobwater te voorkomen.

O

  • Obelisk: siernaald van steen, veel gebruikt in de klassieke oudheid als herdenkingsteken. Sinds de renaissance ook in West-Europa in zwang, ook als gevelbekroning.
  • Oeil-de boeuf: klein, rond of ovaal venster in het dak of in een fronton.
  • Omlopend schilddak: schilddak dat aan vier zijden rond het huis is aangebracht en dientengevolge in het midden een plat dakgedeelte vrijlaat.
  • Ontlastingsboog: boog in het metselverband boven een deur of venster om de druk van het muurwerk daarboven af te leiden. In de renaissance zijn deze bogen vaak rijk geprofileerd en in het boogveld van beeldhouwwerk of siermetselwerk voorzien.

P

  • Pilaster: verticale verdikking in de muur (muurpijler), meestal tussen de vensters, bekroond door een kapiteel. Motief dat vooral bij gevels in renaissance- of barokstijl werd toegepast.
  • Piron: bekronende versiering op de uiteinden van de daknok (ook wel makelaar genoemd).
  • Poort: een van de grond opgaande opening in muurwerk die toegang geeft tot een achtergelegen ruimte. Een poort bevat in zijn opbouw tal van architectonische belangrijke onderdelen.
  • Profiel, profilering: contour van een bouwonderdeel van steen of hout als dat (denkbeeldig) doorgesneden wordt.
  • Prudentia: allegorische vrouwenfiguur voorstellend de Voorzichtigheid.
  • Putto(kop): gevleugeld engelenkopje. Motief dat in de beeldhouw- en schilderkunst in de renaissance en de barok voorkomt.

R

  • Régence: overgangsstijl tussen het Lodewijk XIV en het Lodewijk XV tijdperk.
  • Renaissance: herleving (wedergeboorte) van de bouwkunst van de klassieke oudheid. Opkomend ca. 1420 in Italië (vroege renaissance), hoge renaissance (1500-1530 in Florence, Rome, en Milaan), loopt in Europa door tot ca. 1580 (late renaissance of maniërisme) en gaat geleidelijk over in de barok. Kenmerkende stijl-elementen zijn de zuilen, kapiteel, hoofdgestel.
  • Retabel: altaaropstand. Met beeldhouwwerk of een schilderstuk versierde hoge wand achter het altaar.
  • Ribben: bakstenen of natuurstenen verdikkingen onder de naad waar de gewelfvelden tegen elkaar sluiten, bedoeld om de druk naar de steunpunten op de vier hoeken af te leiden.
  • Rocaille: andere benaming voor rococo of Lodewijk XV, de interieur- en meubelstijl in de barok (in ons land van kort voor het midden der 18 de eeuw tot ca. 1770), die zich bij voorkeur bediende van asymmetrische vormen met schelp en kuifmotieven.
  • Rococo: in de eerste plaats een decoratiestijl in de bouwkunst en de toegepaste kunsten. Vooral in de periode tussen 1730 en 1780 beleefde zij haar hoogtepunt. De stijl kan als elegant, sierlijk en gracieus omschreven worden. Zij ontstond in Frankrijk, maar haar bloei vond plaats in Duitsland. De gebruikte kleuren zijn veelal licht: roze, wit, lichtblauw, lichtgeel, vaak met goud opgewerkt.
  • Roeven: verbinding tussen de zinken platen op een dak door het zink over latten te vouwen in elkaar te felsen.
  • Rollaag: laag metselwerk van staande stenen als muurafdekking of als ontlastingsboog of –strek boven een raam of deuropening.

S

  • Schilddak: dak waarvan de beide korte zijden driehoekig en de lange zijden trapeziumvormig zijn.
  • Sluitsteen: vaak gebeeldhouwde steen op het kruispunt van twee ribben in een gewelf.
  • Souterrain: onderverdieping die gedeeltelijk ondergronds ligt en met vensters vlak boven het straatniveau verlicht wordt.
  • Spiegel: ook gebruikt als benaming voor panelen ter versiering van het fries onder de kroonlijst.
  • Standvink: verticale houten steun die een moerbalk (hoofdbalk van een zolderconstructie) in of nabij het midden ondersteunt.
  • Steekkap: klein gewelf dat insnijdt in de zijkant van een groter gewelf teneinde een hoger venster mogelijk te maken.
  • Strek: rollaag waarin de stenen in waaiervorm zijn gezet boven een opening in metselwerk, deze dient als ondersteuning van het bovengelegen werk.

T

  • Tandingen (tandlijst): rij van blokjes onder de kroonlijst.
  • Toscaans: variant van de Dorische orde, waarbij de zuil in tegenstelling tot de Dorische een basement bezit.
  • Trap: verbinding tussen op verschillende hoogte gelegen vloeren. Zie figuur voor de benaming van de onderdelen in een trap.
  • Travee: a. gewelfvlak, b. vensteras, dit is een verticaal gevelgedeelte waarin een aantal verdiepingsvensters boven elkaar.
  • Trigliefen: versiering in een Dorisch fries, bestaande uit twee of drie verticale gleufjes. Trigliefen wisselen af met metopen (zie metoop).
  • Trotseerloodje: lapje lood, meest in schild- of medaillonvorm, dat de loodgieter aanbrengt over de spijkers waarmee loden of zinken bekleding op een dak wordt vastgezet. Dient om lekkage door het spijkergat en roesten te voorkomen.
  • Trumeau: middenpijler in een brede deur van bijvoorbeeld een kathedraal.

V

  • Venster: lichtopening, doorgaans voorzien van een kozijnen gedekt door een boog in al zijn vormen, een strek of latei. Zie figuur voor de benaming en onderdelen in een venster.
  • Vensteras: verticaal gevelgedeelte waarin een aantal verdiepingsvensters boven elkaar. Deze term wordt gebruikt als een kroonlijst om een vooruitspringend muurgedeelte, b.v. een pilaster, is heengeleid.
  • Vertinnen: muurwerk met een dunne laag specie bedekken.
  • Vlechting: versiering in metselwerk, waarbij loodrecht op de schuine zijkanten van een puntgevel lagen baksteen op de horizontale lagen zijn geplaatst.
  • Vlechtwerk: siermetselwerk in de boogvelden van ontlastingsbogen of in bakstenen friezen.
  • Voluut: spiraalvormige versiering bij Jonische of Corinthische kapitelen. Ook gebruikt als decoratie op de hoeken van topgevels in de renaissance en de barok.

Z

  • Zaagtandfries: versiering onder een lijst, waarbij een reeks bakstenen met een scherpe kant naar voren zijn gemetseld waardoor het aspect van een zaag ontstaat.
  • Zaalkerk: eenbeukige kerk op vierkante plattegrond, d.w.z. waarbij de ruimte niet door zuilen of pijlers in meer dan één beuk is onderverdeeld.
  • Zadeldak: dakvorm, waarbij de schuine, rechthoekige dakvlakken boven de lange gevels van een gebouw tussen punt-, trap- of andere topgevels beven de korte zijden gevat zijn.
  • Zwik: het gedeelte tussen een boog en zijn rechthoekige omlijsting.

Word lid!

En help ons uw belangen nog beter te behartigen.

Als lid kunt u deelnemen aan interessante excursies en levendige ledenvergaderingen

Bovendien ontvangt u tweemaal per jaar onze informatieve nieuwsbrief

Samen zijn we sterk!

AANMELDEN

Contactformulier




Contactgegevens

Vereniging BewoondBewaard
Bronkhorsterweg 15
6971 JA Brummen

Telefoon: 06-53887946
www.bewoondbewaard.nl

Mail het bestuur
bestuur@bewoondbewaard.nl

Aanmelden
aanmelding@bewoondbewaard.nl

Vragen
vragen@bewoondbewaard.nl

Development W3Company